Nieuwe Kerk

Inleiding

Het Timpe-orgel in de Nieuwe Kerk te Groningen
Groningen (Stad en Ommeland) wordt tegenwoordig wel de orgeltuin van Europa genoemd vanwege zijn grote unieke schat aan historische orgels. In de 18e eeuw kende die tuin in de stad overigens twee grote kale plekken: de in 1664 voltooide Nieuwe- of Noorderkerk was niet van een orgel voorzien en de Der Aa-kerk was sedert het instorten van de toren in 1710 ook orgelloos. Na de Franse Tijd veranderde die situatie. De Broerkerk werd aan de rooms-katholieken toegewezen, maar het daar aanwezige Schnitger-orgel (1702, met veel pijpwerk uit 1671) werd in 1815 overgeplaatst naar de Der Aa-kerk.
Toen bovendien de orgelmaker N.A. Lohman in 1816 de opdracht kreeg voor uitgebreide werkzaamheden aan het Martinikerk-orgel, gingen er in de Nieuwe Kerk serieuze stemmen op om te bewerken dat ook de Nieuwe Kerk … van een orgel werde voorzien.

Echt schot in de orgelzaak komt er pas door een groot legaat van een welgesteld gemeentelid, J.R. Oortsema, dat na zijn overlijden in 1826 beschikbaar komt. Door een succesvolle financiële actie in de gemeente en royale bijdragen van het overkoepelende bestuur der stadskerken komt er voldoende geld voor een groot nieuw orgel bijeen en kan in 1828 aan Petrus van Oeckelen de opdracht worden gegeven tot het maken van een frontontwerp en een bestek, met overleg van den Heer S.W. Trip. Petrus van Oeckelen (1792-1878) was op dat moment actief als Organist, Klokkenist, Orgel- en Fortepianomaker en speelde een belangrijke rol in het Groninger muziekleven. Daar was hij bevriend geraakt met de jurist Jonkheer Mr Samuel Wolther Trip (1804-1886) die in een krantenbericht uit 1831 werd getypeerd als een kundig liefhebber en gelukkig beoefenaar der toonkunst, wiens ijver en schoone talenten in dat vak niet genoeg kunnen worden geprezen.
Het ontwerp van de “orgelstoel” (het orgelbalkon) werd opgedragen aan de stadsijkmeester, G. Kuyper.

Bouwgeschiedenis

De bouwgeschiedenis van het orgel

Bestek en frontontwerp van het orgel kwamen nog in 1828 gereed. Het frontontwerp is bewaard gebleven en toont dat Van Oeckelen niet voortborduurde op Groninger vormgevingstradities, maar zich liet inspireren door het Christian Müller-orgel (1738) in de Grote- of St. Bavokerk te Haarlem. Dit instrument genoot internationale vermaardheid en er waren diverse afbeeldingen van in omloop. De overeenkomst tussen het Haarlemse front en Van Oeckelens ontwerp is zodanig groot dat dit geen toeval kan zijn. Opmerkelijk is dat Van Oeckelen geen bekronend beeldwerk op de hoofdkast heeft getekend, er zijn slechts voetstukken aangegeven. Bij de bouw van de orgelkast werden daarop wel beelden geplaatst: pinakels op de hoektorens en de middentoren, terwijl musicerende engelen de tussentorens bekronen. Voor het overige is de ontwerptekening grotendeels ongewijzigd uitgevoerd; een unieke combinatie van barokke hoofdlijnen en Biedermeijer decoraties.

Van Oeckelens bestek uit 1828 bleef helaas niet bewaard, maar het bouwcontract uit 1829 wel. Daarin waren 40 registers voorzien, te plaatsen op drie handklavieren(manualen; hoofdwerk, rugpositief en bovenwerk) en een voetklavier (pedaal). Er waren trouwens twee contracten, een voor het orgel zelf en een voor de orgelstoel. Na een offertetraject werden de contracten op 10 april 1829 ondertekend. De bouw van het orgel werd opgedragen aan Johannes Wilhelmus Timpe (1770-1837), onder opzicht van Van Oeckelen en Trip. Timpe had in 1813, na het overlijden van zijn patroon H.H. Freytag, een eigen orgelmakerij gevestigd in Groningen. Hij had inmiddels diverse nieuwe orgels op zijn naam staan, onder meer in Emden (1818), Middelbert (1822) en Veendam (1824). Bovendien had Timpe eene aanmerkelijke quantiteit geschikte pijpen en ook windladen in gereedheid en genoeg droog wagenschot (eikenhout) op voorraad. Dat Van Oeckelen en Timpe elkaar goed kenden, zal zeker ook mee hebben gespeeld bij de keuze van de orgelmaker.
Op 28 januari 1831 werd, terwijl het orgelbouwproces in volle gang was, nog een aanvullende overeenkomst getekend, met onder meer de bepaling dat op het rugpositief nog een Octaaf 2’ zou worden toegevoegd en Timpe een Flageolet 1’ op het bovenwerk ten geschenke aanbood. Daarmee kwam het aantal registers op 42.
De vervaardiging van de orgelstoel werd uitgevoerd door de Groninger “ Jurrien Heeres, onder toezicht van Kuyper.

Het instrument werd in alle delen goedgekeurd op 3 mei 1831. De keuring werd uitgevoerd door Sicco Albertus Hempenius, organist van de Grote Kerk te Zwolle, en Wilhelm Gottlieb Hauff, organist van de Martinikerk te Groningen. Ten opzichte van het contract en de aanvulling daarop bleken enkele geplande registers op het hoofdwerk en het rugpositief te zijn verwisseld, te weten de Speelfluit 4′ en de (gedekte) Fluit 4′, alsmede de Fagot 16′ en de Oboe 8′. De keurmeesters gaven in hun keuringsverslag aan de heren Trip en Van Oeckelen de welverdiende lof voor hun bestek, fronttekening en hun toezicht, en merken op dat dit uitmuntend Orgel … zeker gerangschikt mag worden onder de voortreffelijkste van Nederland.

Klik hier voor de dispositie (registersamenstelling) bij oplevering van het orgel.

 

Lotgevallen

Verdere lotgevallen tot en met 2011

1832
Timpe had zichzelf met zijn gulle gift van een Flageolet 1’ waarschijnlijk in technische problemen gebracht. Er was voor deze uitbreiding namelijkfeitelijk niet voldoende plaats op de windlade, met als gevolg dat de pijpen g-h van de Carillon niet genoeg ruimte hadden om ‘uit te klinken’ en goed te stemmen. Timpe verwijderde de betreffende pijpen, zodat de Carillon voortaan op c’ begon.

1840
Na het overlijden van Timpe in 1837 wordt het onderhoud van het orgel aan Van Oeckelen toevertrouwd. In 1838 meldt Trip, op instigatie van Van Oeckelen, dat buitengewone herstellingen aan het Orgel noodzakelijk zijn. De belangrijkste redenen zijn een aantal door zuurinwerking (van de eiken pijpstokken) aangetaste pijpvoeten, eene aanmerkelijke hoeveelheid stof in de windladen en de pijpen, alsmede gebrek aan harmonie in het Orgel, die eene verbeterde intonatie noodzakelijk maakt. Als Van Oeckelen de opdracht krijgt, zal hij bovendien belangeloos eene en andere kleine verbeteringen bewerkstelligen.
In 1840 wordt het orgel schoongemaakt en worden de aangetaste pijpvoeten afgeborsteld. Tevens worden de tongwerken verbeterd. Dat is anno nu nog slechts vast te stellen bij de Trompet 8’ van het rugpositief. Van Oeckelen creëerde daar een grotere bekerlengte (en wijdere -maatvoering) door invoeging van enkele nieuwe bekers en opschuiving van de bestaande. Boven bestek wordt een koppeling PED-RW (C-g) toegevoegd, hetwelk veel werk en moeite heeft gekost. Waarschijnlijk is bij deze gelegenheid de deling in bas en discant van de manuaalkoppeling rugpositief-hoofdwerk opgeheven.

1848
Op verzoek van organist Siewert Meijer werden door Van Oeckelen buitengewone herstellingenuitgevoerd. Deze omvatten:

  • – Schoonmaak van het orgelinterieur en intoneren van al het pijpwerk.
    – Kleine herstellingen aan de windvoorziening en de windladen.
    – Schoonmaak en herstel van de frontpijpen.
    – Rugpositief: vermaken van de Oboe 8′ tot een doorslaand tongwerk (wegens haren ellendigen toon en doordien zij niet naar de stemming wil luisteren).
    – Bovenwerk: opschuiven (hele toon) en aanvullen van de Viola di Gamba 8′, inclusief het verplaatsen van de grootste pijpen daarvannaast de windlade.

Meijer had ook gemeld dat er in het bovenwerk 14 kleine pijpjes misten en aangevuld zouden moeten worden. Zonder twijfel betrof dit (met een telfout) de pijpen g-h van de Carillon, die in 1832 juist om technische redenen waren verwijderd. Het voornemen om deze pijpjes aan te vullen is dan ook niet uitgevoerd. Wel werd boven bestek op het hoofdwerk de Nachthoorn 2′ opgeschoven en aangevuld tot een Quintfluit 3′. Kennelijk had Meijer behoefte aan een aliquoot-register.

1861
Van Oeckelen voerde buitengewoone herstellingen uit aan het orgel. Deze vielen in het kader van een grootscheepse verbouwing van het kerkinterieur waarbij ook de orgelkast herschilderd werd. Over de aard van de werkzaamheden is niets bekend vanuit de archieven. Een verzoek van organist Tjerko Steenhuis om de Vox humana 8’ (bovenwerk) en de Fagot 16′ (hoofdwerk) te vervangen door resp. een Clarinet 8′ en een Trombone 16′ werd niet gehonoreerd. Steenhuis’ opvolger Roelf Gerrit Rijkens poogt in 1870 – eveneens tevergeefs – diverse dispositiewijzigingen voor elkaar te krijgen.

1893
Op instigatie van de daaropvolgende organist, Hendrik Pieter Steenhuis, vermaakte de Groninger orgelmaker J. Doornbos de Vox Humana 8’ tot een (doorslaande) Clarinet 8’.

1912/13
J. Doornbos voert diverse technische herstellingen (onder meer van de blaasbalgen) uit. De aantasting van voetspitsen van de labiale pijpen blijkt inmiddels dermate ernstig te zijn dat het noodzakelijk wordt geacht een belangrijk deel van dit pijpwerk in de discant te vernieuwen. Daarbij is ook de stemtoonhoogte verhoogd. Bij deze gelegenheid wordt de orgelkast opnieuw geschilderd en donker gelakt.

1931-1942
De orgelmaker K. Doornbos stelt in 1931 op het bovenwerk de Carillon buiten werking en voegt een Voix Celeste 8’ toe, op een aparte (pneumatisch aangestuurde) windlade. Enkele jaren later vervangt hij de tongwerken van hoofdwerk en pedaal door nieuwe exemplaren. In 1939 vervangt hij de blaasbalgen door een grote magazijnbalg, daterend uit 1912, afkomstig uit het Martinikerk-orgel. Daardoor vervalt het verschil in winddruk tussen de manualen en het pedaal. In 1942 sluit hij de Carillon weer aan, vervangt hij de 12 grootste pijpen van de Quintadena 8’ door nieuwe, zinken exemplaren, en verandert hij de Fluit 2’ van het rugpositief in een Quintfluit 1 1/2’.

1976-1980. Restauratie van het orgel
Bij de kerkestauratie van 1952/53 werd het orgel slechts heel provisorisch afgedekt. Dit had zeer nadelige gevolgen voor het technisch functioneren van het instrument. Het raakte vervolgens steeds verder in verval en was in de jaren 1960 nauwelijks meer bespeelbaar. Al in 1960 had Cor Edskes een uitgebreid en goed gedocumenteerd rapport over het orgel opgesteld, maar cantor-organist Evert Westra moest nog tot 1976 wachten voordat een restauratie, door Leeflang Orgelbouw te Apeldoorn, daadwerkelijk een aanvang nam. Bij deze restauratie werd de situatie-1831 voor een belangrijk deel gereconstrueerd. Zo werd alle Doornbos-pijpwerk vervangen. Wel werden de bestaande windvoorziening en een enkele Van Oeckelen-wijziging gehandhaafd. De stemtoonhoogte werd verlaagd tot ongeveer a’=437 Hz. Het pedaal kon door toevoeging van regulateurbalgen weer een hogere winddruk krijgen dan de manualen. De Timpe-pijpen van de Quintfluit 1 1/2’ (oorspronkelijk een Fluit 2’) werden in het orgel opgeslagen; op die plaats in het rugpositief werd een Mixtuur 3-4 sterk toegevoegd. Bij de ingebruikneming in 1980 waren de tongwerken nog niet hersteld cq gereconstrueerd. Die werkzaamheden zijn in 1989 uitgevoerd door de orgelmaker Marcussen (Aabenraa, Denemarken). Daarbij werd ook de Trompet 8’ van het rugpositief weer hersteld in zijn gedaante van 1831. De in 1840 door Van Oeckelen toegevoegde pijpen werden eveneens in het orgel opgeslagen. De orgelkast werd in 1976-80 waar nodig hersteld.

Deze restauratie ging met de nodige moeilijkheden gepaard, mede waardoor het resultaat, zowel in technisch opzicht als qua klank, niet bevredigend was. Naast de koninklijke orgels van de Martinikerk (na de in 1984 voltooide restauratie) en de Der Aa-kerk riep het Nieuwe Kerk-orgel een Assepoester-beeld op.
Sedert 1980 is de kennis en ervaring met betrekking tot ons 19e eeuwse orgelbezit echter sterk toegenomen. Toen rond 2005 groot onderhoud noodzakelijk bleek, konden ook correcties op het ‘Leeflang-werk’ worden voorbereid.

2008-2011
In deze jaren is daarvan de eerste fase gerealiseerd. Uitvoerende was Mense Ruiter Orgelmakers (Zuidwolde, Gr.), orgeladviseur was Stef Tuinstra (Bedum). De orgelkast werd gerestaureerd en na ampele discussie herschilderd in de bestaande kleurstelling. De toegankelijkheid van het binnenwerk voor onderhoud werd verbeterd. De frontpijpen werden hersteld, alsmede – waar nodig – de mechanieken en de windladen. Daarbij zijn correcties uitgevoerd om de situatie-1831 zoveel mogelijk te herstellen. Dankzij de werkzaamheden aan mechanieken en windladen zijn de technische betrouwbaarheid en de speelaard van het orgel toen sterk verbeterd.

Periode 2015-2018

De werkzaamheden van 2015-2018
– De tweede fase bestond, naast enkele kleinere technische zaken, vooral uit herstel van het pijpwerk en optimaliseren van het klankbeeld in de geest van Timpe. Ook deze werkzaamheden zijn uitgevoerd door Mense Ruiter Orgelmakers, die tijdens het project naar Ten Post verhuisde en thans onder leiding staat van Dolf Tamminga. Adviseur voor deze fase was Peter van Dijk (Utrecht), terwijl Wim Diepenhorst (Deventer) zich namens de RCE nauw betrokken heeft getoond. Dat laatste geldt zeker ook voor de beide Nieuwe Kerk-organisten, Jelte Hulzebos en Stef Tuinstra.

De technische werkzaamheden betroffen onder meer – op voorstel van Stef Tuinstra – de aanleg van een nieuw hoofdwindkanaal vanuit de magazijnbalg. Daardoor heeft de orgelwind aan soeplesse gewonnen, hetgeen van belang is voor een goede aanspraak van het pijpwerk.

Wat de klank betreft zijn eerst met alle betrokkenen samen uitgebreide winddruk-proeven genomen. Ter voorbereiding hadden Jan Veldkamp (oud-directeur van Mense Ruiter Orgelmakers) en intonateur Bert Jan van der Weerd een aantal Timpe-pijpen reversibel geretoucheerd qua klankgeving. Bij de bestaande winddrukken was de pijpaanspraak te onregelmatig en bleek de klank te mat. Bij verhoging van de winddrukken tot 83 mm (manualen) en 107,7 mm (pedaal) kwamen de pijpen wel goed tot spreken en ‘opende’ de klank zich. Het Leeflang-pijpwerk (de discanten van veel labiaalregisters) bleek eveneens goed te reageren op deze winddrukverhoging. Daartoe is dan ook unaniem besloten. Het verhogen van de winddruk heeft consequenties voor de toonhoogte van de pijpen. Voor de Timpe-pijpen werd een lichte verhoging van de stemtoonhoogte, tot a’=440 Hz, geaccepteerd, de Leeflang-pijpen bleken te kort om dit te halen. Daarom is overal bij de overgang van Timpe- naar Leeflang-pijpwerk (van bas naar discant) een nieuwe pijp tussengeplaatst en zijn de Leeflang-pijpen een halve toon naar boven opgeschoven. Zo haalden die pijpen wel hun vereiste lengte en bijkomend voordeel was dat de maatvoering (mensuren) nog meer in overeenstemming met die van het Timpe-pijpwerk kwam.

Alle ruim 2350 pijpen van het orgel zijn hersteld. Een monnikenwerk! Daarbij waren er ook diverse tegenvallers. Zo bleken de steminrichtingen van de frontpijpen zowel ‘onhistorisch’ als niet effectief genoeg, zodat ze uitgenomen moesten worden om in Timpe-stijl te worden herzien. Voorts hadden kleine Leeflang-mixtuurpijpjes zodanig te kleine voetjes dat ze te ver in de windlade zakten, moesten de afdichtingen van de gedekte pijpen worden vernieuwd en was er veel extra werk aan de tongwerken.
Op verzoek van de organisten werd de Nachthoorn 2’ weer – net als in 1848 – verschoven tot Quintfluit 3’. Daartoe konden in het orgel bewaarde Timpe-pijpen van de rugwerk-fluit 2’ worden benut. De rugpositief-trompet bleek na de herplaatsing in 1989 onaanvaardbaar slecht stemming te houden. Hier is, na proefnemingen, de situatie-1840 hersteld met behulp van de bewaarde Van Oeckelen-bekers.
De in 1980 weer toegevoegde pijpen g-h van de Carillon bleken niet goed tot klinken te kunnen komen en niet goed stembaar te zijn. Ze zijn daarom, net als in 1832, verwijderd.

Al vanaf het begin van de intonatie-werkzaamheden kon een grote ‘klankwinst’ worden geconstateerd. Hoe groot, dat bleek onder meer toen de (gehandhaafde) Leeflang-mixtuur van het Rugpositief ‘aan de beurt’ was. Ondanks het bijplaatsen van nieuwe pijpen voor toets C alsmede het opschuiven van de overige pijpen en herintonatie, stak het register te bleekjes af bij de in ere herstelde klank van de grondregisters. Daarop is eensgezind besloten deze Mixtuur algeheel te herzien.

Dankzij het voortreffelijke werk van de orgelmakers heeft het Timpe-orgel van de Nieuwe Kerk haar Assepoester-kleed afgeworpen. Mogen organisten, kerkzangers en toehoorders daarvan profiteren!

Klik hier voor de huidige dispositie.