Nieuwe kerk dispositie

De dispositie was bij oplevering van het orgel (3 mei 1831):

Hoofdwerk (man. II)
Prestant 16’
Bourdon 16’
Octaaf 8’
Holpijp 8’
Baarpijp 8’
Quintadena 8’
Octaaf 4’
Speelfluit 4’
Octaaf 2’
Nachthoorn 2’
Mixtuur 4,5,6 st. Bas/Disc.
Fagot 16’
Trompet 8’
Rugpositief (man. I)
Bourdon 16’
Prestant 8’
Holpijp 8’
Roerfluit 8’
Octaaf 4’
Fluit 4’
Octaaf 2’
Fluit 2’
Trompet 8’
Oboe 8’
Bovenwerk (man. III)
Prestant 8’
Holfluit 8’
Fluit-travers 8’
Viola di Gamba 8’
Octaaf 4’
Fluit 4’
Woudfluit 2’
Flageolet 1’
Carillon 3 sterk (af g)
Vox-humana 8’
Pedaal
Prestant 16’
Subbas 16’ (open)
Octaaf 8’
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Nachthoorn 4’
Bazuin 16’
Trompet 8’
Trompet 4’

Koppeling HW-BW
Koppeling RP-HW Bas/Disc

Manuaalomvang: C-f’’’
Pedaalomvang: C-d’

4 Afsluitingen
Stemming evenredig zwevend

Het orgel kreeg acht blaasbalgen (spaanbalgen), waarvan vijf de manualen van wind voorzagen en drie het pedaal, dat op een hogere winddruk werd gezet. Interessant is dat de wel in het bestek van 1829 opgenomen pedaalkoppeling naar het rugpositief niet gerealiseerd werd. Naar de reden(en) daarvoor kan men slechts gissen. Het is denkbaar dat de aanleg van een pedaalkoppeling op ‘ruimtelijke’ problemen stuitte, het kan ook zijn dat Trip & Van Oeckelen en/of Timpe een pedaalkoppeling bij nader inzien niet noodzakelijk achtten. Hoe dan ook, de keurmeesters – beide vooraanstaande organisten – hebben de afwezigheid van een pedaalkoppeling niet ‘aangemerkt’.

Qua dispositie en klankconcept heeft het orgel van de Nieuwe Kerk een heel eigen plaats in de (Groninger) orgelbouwtraditie. Zo waren er geen aliquoten (enkelvoudige vulstemmen, zoals een quint 3′) aanwezig, maar wel op ieder manuaal een tweevoets fluit. Dat zijn heel bijzondere kenmerken. De fluitenbezetting was sowieso opmerkelijk uitgebreid en qua ‘gedaantes’ zeer gevariëerd. De organist kon met dit rijke palet aan grondstemmen heel ’orkestrale klankkleuren’ samenstellen. De enige Mixtuur – overigens heel briljant van klank – was die van het hoofdwerk, op het rugpositief was geen mixtuur gedisponeerd, in het bestek zelfs geen octaaf 2′. Het rugwerk van het orgel in de Nieuwe Kerk is daarom te karakteriseren als een, door de opstelling in de borstwering van de galerij, geprononceerde orkestrale klankversterking van het hoofdwerk, inclusief een Bourdon 16’, met de Oboe (hobo) 8’ als solostem. Hier is afgeweken van 17e/18e eeuwse principes, waarbij het rugpositief een volwaardig tegenhanger is van het hoofdwerk en van diverse solistische registers is voorzien. De op het bovenwerk gedisponeerde Carillon diende – getuige 18e/19e eeuwse bronnen – behalve als ‘tintelende’ solostem ook als een briljante bekroning van het volle werk.

Vermeldenswaard is dat de Oboe 8’ van het rugpositief werd gemaakt naar het voorbeeld van het gelijknamige register (1729) op het rugpositief van het Martinikerk-orgel. Daarentegen volgde Timpe met zijn vox humana’s – ook die in de Nieuwe Kerk – een eigen ‘koers’, afwijkend van Groninger tradities. De bekers zijn cilindrisch, op een onderconus, en voorzien van beweegbare deksels met daarin een ovale uitsnijding.

De huidige dispositie (15-juni 2018):

Hoofdwerk (man. II)
Prestant 16’
Bourdon 16’
Octaaf 8’
Holpijp 8’
Baarpijp 8’
Quintadena 8’
Octaaf 4’
Speelfluit 4’
Quintfluit 3’
Octaaf 2’
Mixtuur 4-6 st. Bas/Disc.
Fagot 16’
Trompet 8’
Rugpositief (man. I)
Bourdon 16’
Prestant 8’
Holpijp 8’
Roerfluit 8’
Octaaf 4’
Fluit 4’
Octaaf 2’
Mixtuur 3-4 sterk
Trompet 8’
Oboe 8’
Bovenwerk (man. III)
Prestant 8’
Holfluit 8’
Fluit-travers 8’
Viola di Gamba 8’
Octaaf 4’
Fluit 4’
Woudfluit 2’
Flageolet 1’
Carillon 3 sterk (af c’)
Vox-humana 8’
Pedaal
Prestant 16’
Subbas 16’ (open)
Octaaf 8’
Holpijp 8’
Octaaf 4’
Nachthoorn 4’
Bazuin 16’
Trompet 8’
Trompet 4’

Koppeling HW-BW
Koppeling RP-HW
Koppeling Ped- RP
Koppeling Ped-HW


Manuaalomvang: C-f’’’
Pedaalomvang: C-d’

Tremulanten RP en BW
Stemtoonhoogte a’=440 Hz
Stemming evenredig zwevend